PRRS: een virus dat het hele varkensbedrijf beïnvloedt
PRRS is al jaren een van de meest besproken gezondheidsproblemen in de varkenshouderij. De afkorting staat voor Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome. Zoals de naam al aangeeft, gaat het om een virus dat zowel de voortplanting bij zeugen als de luchtwegen bij biggen kan aantasten.
Toch is PRRS geen ziekte met één duidelijk herkenbaar symptoom. Het virus veroorzaakt eerder een geheel van problemen die samen een syndroom vormen. Daardoor wordt het vaak pas echt zichtbaar wanneer verschillende signalen tegelijk opduiken in het bedrijf.

Een virus met verschillende gezichten
PRRS kan zich op verschillende manieren uiten. Bij jonge dieren zien we vooral respiratoire problemen. Biggen hoesten meer, groeien trager en zijn vatbaarder voor andere infecties door een verlaagde weerstand.
Bij zeugen ligt de impact eerder op het reproductieve vlak. Bedrijven merken dan onder andere:
- zeugen die minder goed bronstig worden
- meer terugkomers
- vroeggeboorte (4-5 dagen te vroeg werpen)
- zwakke of doodgeboren biggen
Het virus kan namelijk via de baarmoeder bij de ongeboren biggen terechtkomen. Daardoor worden biggen soms al geboren met een achterstand in weerstand en vitaliteit.
PRRS heeft bovendien een indirect effect op het hele bedrijf. Het virus tast de algemene weerstand aan, waardoor andere infecties makkelijker de kop opsteken. Dat maakt dat het probleem vaak breder wordt dan alleen het virus zelf.
Vaccinatie als belangrijke basis
Omdat het virus zo’n brede impact kan hebben, vormt vaccinatie een belangrijke pijler in de aanpak. Daarbij ligt de nadruk in de eerste plaats op de zeugenstapel.
Door zeugen te vaccineren proberen we te vermijden dat het virus de biggen al in de kraamstal beïnvloedt. Het doel is niet altijd om elke infectie volledig te voorkomen, maar wel om de impact te beperken.
Wanneer een PRRS-virus een bedrijf binnenkomt, ontstaat er meestal een piek in infectiedruk. In gevaccineerde bedrijven vlakt die piek doorgaans sneller af. In bedrijven zonder vaccinatie kan het virus veel langer circuleren en blijft de impact vaak maanden zichtbaar.
Afhankelijk van het bedrijf worden ook biggen gevaccineerd, zodat ze beter beschermd zijn tijdens de opfokfase.

Hoe komt PRRS een varkensbedrijf binnen?
Zoals bij veel virale aandoeningen ligt de grootste risicofactor bij het binnenbrengen van dieren.
De meest voorkomende bron is de introductie van gelten: jonge zeugen die nog nooit biggen hebben gehad. Wanneer een bedrijf eigen opfok heeft, ligt dat risico doorgaans lager. In bedrijven die dieren aankopen, blijft een goede quarantaine essentieel.
Nieuwe gelten worden daarom altijd eerst gedurende zes tot acht weken apart gehouden. In die periode kunnen ze:
- gevaccineerd worden
- gecontroleerd worden op aanwezige infecties
- rustig geïntegreerd worden in het bedrijfssysteem
Ook sperma kan een risico vormen, al is dat risico doorgaans kleiner wanneer er gewerkt wordt met gecontroleerde KI-centra.
Daarnaast kan het virus zich verspreiden via luchtstromen of indirect contact tussen bedrijven. Direct neus-op-neuscontact tussen dieren is dus niet noodzakelijk om besmetting te veroorzaken.
Monitoring krijgt steeds meer aandacht
Omdat PRRS zo’n grote impact kan hebben, wordt monitoring steeds belangrijker. In Nederland loopt momenteel een nationaal PRRS-plan waarbij bedrijven systematisch worden opgevolgd.
Binnen dat programma wordt onder andere gekeken naar:
- vaccinatiestrategieën
- infectiedruk op het bedrijf
- aanwezigheid van antistoffen
Bedrijven worden op basis van die gegevens in verschillende categorieën ingedeeld. Om een goed beeld te krijgen van de situatie wordt drie keer per jaar bloedonderzoek uitgevoerd.
Vanaf de zomer wordt daarnaast ook een bioveiligheidsenquête ingevoerd. Die bekijkt zowel externe als interne bioveiligheid en past binnen een bredere aanpak van diergezondheid in de volledige productieketen, van zeugenbedrijf tot vleesvarkens.
België en Nederland volgen in grote lijnen een gelijkaardige aanpak.
Een virus dat samenwerking vraagt
PRRS blijft een complex virus. Het verspreidt zich niet altijd zichtbaar en kan lange tijd in een bedrijf aanwezig blijven zonder duidelijke uitbraken.
Daarom ligt de sleutel in een combinatie van maatregelen: vaccinatie, quarantaine, monitoring en bioveiligheid. Bedrijven die deze elementen consequent combineren, slagen er het best in om de impact van het virus te beperken.
Zoals bij veel gezondheidsproblemen in de sector geldt ook hier dat preventie en samenwerking rond het bedrijf het verschil maken.


